Synthese
Rapporten 30 april 2010
Inleidend
De geformuleerde conclusies en aanbevelingen werden uitvoerig besproken op de clustervergaderingen van
februari en maart 2010 en zijn dus gedragen door de therapeutische projecten.
TP zijn experimenten over casusoverleg en coördinatie en kunnen als dusdanig slechts partiële conclusies en
aanbevelingen aanleveren over de totale hervorming van de GGZ in de richting van zorgcircuits en netwerken;
het betreft hier slechts een deeltje van de puzzel. Wel kunnen er zinvolle conclusies aangaande de
modaliteiten voor casusoverleg en zorgcoördinatie op cliëntniveau geformuleerd worden.
Het gevoerde experiment wordt globaal gezien positief geëvalueerd door de projecten: de TP hebben ruimte
gecreëerd voor experiment en hebben bepaalde evoluties (m.b.t. vraaggericht werken, participatie,
intersectorale en voorzieningsoverschrijdende samenwerking, etc.) in gang gezet en/of versterkt.
Het clusteroverleg tussen de TP (uitwisselen van ervaringen en good practices) met ondersteuning van de
OGGZ wordt positief geëvalueerd.
Populatie
Implicaties van de keuze voor de doelgroep met complexe en (potentieel) chronische psychiatrische
problematieken:
Participatie
De TP leiden tot een verhoogde aandacht voor en feitelijke realisatie van participatie van de cliënt
en zijn omgeving. De wisselwerking tussen de verhoogde feitelijke participatie en het empowerend effect
daarvan draagt ongetwijfeld bij tot (meer) zorg op maat.
Opmerkingen:
Overleg en coördinatie
Gezien de grote onderlinge (context, partners, doelgroep, organisatiemodel van overleg en coördinatie,
tradities, etc.) en interne (individuele cliënten en betrokken hulpverleners en hun specifieke noden en
verwachtingen) diversiteit tussen de therapeutische projecten, pleiten de TP algemeen voor deregulering,
een afbouw van de administratieve last en een flexibele regelgeving en financiering. Een adequaat
regelgevend kader stimuleert innovatie en probeert diverse overleg- en coördinatievormen te faciliteren en te
versterken. De tijdens het experiment gehanteerde strikte procedurele regelgeving en zware administratieve
belasting worden vaak als contradictorisch met deze doelstellingen ervaren.
-
De (doorgaans personele) uitbouw van de coördinatiefunctie speelt een belangrijke rol in de werkbaarheid en
de slaagkansen van een therapeutisch project. Overleg blijkt moeilijk te realiseren zonder de
fundamenten van een voldoende uitgebouwde coördinatiefunctie.
De coördinatiefunctie is doorgaans werkzaam op drie niveaus: procesbewaking, klinisch luik, administratieve
coördinatie. Bovendien merken we grote verschillen in de manier waarop de diverse projecten deze functie
realiseren.
-
- Het opzet van de TP stimuleert informele (spontaan, door een betere wederzijdse kennismaking) en formele
(aan de hand van min of meer geformaliseerde sjablonen en/of structuren) communicatie tussen alle
betrokken partners (inclusief de cliënt en zijn omgeving). Deze communicatiestromen dienen niet van bovenaf
opgelegd te worden; gedeelde communicatiekanalen ontwikkelen zich idealiter in de schoot van het overleg
opdat ze een optimaal draagvlak vinden bij de betrokken partners.
- Om de continuïteit van het TP te garanderen, is het belangrijk dat een aantal dragende partners
(voorzieningen, diensten, zelfstandige hulpverleners, etc.) zich expliciet engageren op het vlak van
aanmeldingen, participatie aan casusoverleg, open staan voor samenwerking, etc.. In de praktijk van de
therapeutische projecten blijkt dat dit niet noodzakelijk de formele partners zijn. Een stuurgroep kan hierbij
een belangrijke faciliterende rol vervullen.
- De therapeutische projecten formuleren volgende suggesties voor aanpassing van de RIZIV-regels
aangaande de modaliteiten voor casusoverleg. Deze suggesties zijn enkel geldig binnen de context van de
therapeutische projecten en vormen enkel aanvullingen op de bestaande RIZIV-regelgeving. Misschien moet
er bij het uitwerken van een structurele regelgeving ook buiten dit kader gedacht worden.
Het verzamelen van de handtekeningen van alle formele partners op het inclusieoverleg blijkt omslachtig
en tijdrovend. Als alternatief suggereert men dat de projectcoördinator zou kunnen tekenen om de
aanwezigheid van de formele partners te bevestigen.
De opgelegde (trimesteriële) spreiding van de overlegmomenten beantwoordt niet altijd aan de reële
noden van de cliënten en/of de betrokken hulpverleners. Toch vinden heel wat projecten het zinvol om
volgens een vaste timing te werken, aangezien dit de mogelijkheid geeft om ook buiten de crisisperiodes
samen te komen en meer structurele vooruitgang te boeken. Als mogelijk alternatief voor de opgelegde
trimesteriële spreiding suggereren de meeste projecten een minimaal aantal opvolgvergaderingen
per jaar, met een maximale tijdspanne tussen twee vergaderingen (vb. zes maanden). Een
tweede optie bestaat er in een driemaandelijkse spreiding te behouden, maar daarbij telkens te
vertrekken van de inclusiedatum (en niet noodzakelijk de trimesters te volgen).
De projecten achten het niet zinvol dat er steeds drie formele partners aanwezig moeten zijn op het
opvolgoverleg. De aanwezigheid van minimaal drie partners waarvan minstens één GGZ-partner,
lijkt een plausibel alternatief. De feitelijke betrokkenheid van de aanwezige hulpverleners bij de besproken
casus is belangrijker dan het feit of een partner al dan niet formeel betrokken is bij het project.
De vereiste aanwezigheid van alle formele partners op een inclusieoverleg is niet zinvol en in de praktijk
niet haalbaar. Alternatieven kunnen gezocht worden in de richting van de verplichte aanwezigheid van een
bepaald quotum van de formele partners op het inclusieoverleg; of in de richting van een
elektronische inclusieprocedure (cf. een aantal Franstalige projecten).
Het bestaansrecht van een project mag niet afhankelijk zijn van de caseload en het aantal verplicht te
organiseren factureerbare overlegmomenten. Caseload en overleg mogen geen doelen op zich
worden. Het TP genereert heel wat informe(e)l(e) (niet factureerbaar) overleg, communicatie en samen-
werking, wat eveneens heel waardevol is. De evaluatie van dergelijke projecten dient primair op
kwalitatief niveau te gebeuren.
Samenwerking
(Minimaal) op casusniveau leiden de TP tot meer intersectorale en voorzieningsoverschrijdende
samenwerking. Deze samenwerking manifesteert zich het sterkst binnen de geestelijke gezondheidszorg,
maar ook partners uit de eerste lijn en belendende sectoren zijn frequent betrokken bij casusoverleg rond en
-de zorg voor individuele cliënten. Het is belangrijk om de diverse partners (1ste, 2de en 3de lijn en belendende
sectoren) van bij de opstart van het project te betrekken.
De evaluatie van de therapeutische projecten legt een aantal belangrijke mechanismen en principes bloot
die aan de basis liggen van de meerwaarde die deze samenwerking kan bieden:
- dialoog en samenwerking worden meer als essentiële acties beschouwd;
- de wederzijdse kennismaking tussen de verschillende actoren en sectoren;
- een optimale afstemming van de zorg;
- de mogelijkheid om meer aanklampend te werken (zonder de therapeutische keuzevrijheid van de cliënt te
negeren);
- de opbouw en (intersectorale) uitwisseling van expertise;
- het principe van gedeelde verantwoordelijkheid (of gedeelde zorg);
- de focus komt meer op de zorgvraag te liggen;
- opnames worden korter en gerichter;
- de mogelijkheid om integratief (alle levensdomeinen) te werken;
- de facilitatie van de doorstroom van cliënten;
- en het bieden van perspectief in vastgelopen dossiers.
-
Mogelijke aanbevelingen om intersectorale en voorzieningsoverschrijdende samenwerking te stimuleren, zijn
o.a.:
het opnemen van deelname aan overleg in de nomenclatuur;
de realisatie van intersectorale vorming (ruimer dan alleen klassieke scholing; ook de valorisatie van
praktijkervaring);
een diepgaande analyse van specifieke (sectorale) knelpunten die samenwerking belemmeren (ook buiten
het opzet van de TP);
de realisatie van voldoende capaciteit van basiszorgaanbod binnen alle regio's (adequate spreiding).
Knelpunten en barrières
De belangrijkste knelpunten en barrières waarmee de TP geconfronteerd worden, zijn:
de tijdsdimensie (overleg en coördinatie zijn tijdsintensief – maar op termijn zeker lonend – en er is tijd
Conclusie
Algemeen kunnen we besluiten dat coördinatie en casusoverleg – mits een adequate en voldoende flexibele
regelgeving en financieringswijze – belangrijke instrumenten (kunnen) zijn in het streven naar meer samen-
werking, meer zorg op maat en meer zorgcontinuïteit.
De implementatie van coördinatie en casusoverleg als structurele bouwstenen in de GGZ vormt ongetwijfeld
een belangrijk element in de evolutie van de GGZ in de richting van zorgcircuits en netwerken; tegelijk dient
men evenwel te beseffen dat dit slechts één element in een bredere evolutie betreft.
De praktijk van een aanzienlijk aantal therapeutische projecten heeft aangetoond dat casusoverleg met een
actieve rol voor de cliënt en zijn omgeving mogelijk en zinvol is.